Houston Stewart Chamberlain

Engels/duits publicist, toneelschrijver, cultuurcriticus, rassentheoreticus en wetenschapsfilosoof.

9 Sep. 1855 — 9 Jan. 1927

Biografie



Page in English
Tijdtafel 1855—1939
Fotogalerij
Bibliographie & Boeken online
Citaten
Kommentaren en kritieken van tijdgenoten
Over deze site



 

Jeugd
Comet of Donati, 1858    Houston Stewart Chamberlain werd geboren op 9 September 1855 in Southsea, Engeland. Zijn moeder, Eliza Jane Hall, overleed nog voor zijn 2e levensjaar, en hij werd opgevoed door zijn grootmoeder in Frankrijk. Zijn vader, schout-bij-nacht William Charles Chamberlain, had voor hem een militaire carrière gepland, en op zijn 11e jaar werd hij naar een kostschool voor aankomende landmacht- en marineofficieren gestuurd. De jonge H. S. Chamberlain had echter meer belangstelling voor muziek, sterrenkunde en literatuur, en het vooruitzicht ergens in India of een andere Britse kolonie te dienen als officier lokte hem niet aan.

(Rechts: de verschijning van de komeet van Donati in 1858 maakte een diepe indruk op de 3 jaar oude H. S. Chamberlain, en droeg bij aan zijn levenslange interesse voor natuurverschijnselen. Klik hier voor afbeeldingen van de komeet en H. S. Chamberlain's herinneringen aan de verschijning.)

Kuuroorden
    Op zijn 14e was zijn gezondheid er slecht aan toe. De geraadpleegde artsen vermoedden, ten onrechte, een ziekte aan de luchtwegen. Hij verliet Engeland om op het europese vasteland het ene kuuroord na het andere te bezoeken, zoals Bad Ems, Montreux en Cannes. Hij werd hierbij vergezeld door zijn tante en een Pruissische privéleraar, Otto Kuntze. Deze Kuntze onderwees hem de Duitse taal, en wekte bij zijn leergierige pupil belangstelling op voor Duitse geschiedenis, literatuur en filosofie. Als in 1874 zijn vader hem komt opzoeken in Zwitserland, om hem over te halen terug te keren naar Engeland en zijn studie af te maken, weigert Chamberlain. Door zijn Franse achtergrond en zijn negatieve ervaringen in Engeland was hij al te ver van zijn vaderland vervreemd geraakt. In Cannes ontmoette hij ook zijn eerste vrouw, Anna Horst, met wie hij in 1878 trouwde.

Studie
    Hij verhuisde naar Florence voor een universitaire studie botanica. Daar kwam niets van terecht, de stad had zoveel hoog-artistieke indrukken te bieden dat hij 7 maanden lang in een artistieke roes verkeerde. Een dergelijke toestand overviel hem ook toen hij voor het eerst met de werken van Shakespeare, en later, met die van Wagner in aanraking kwam (13). In 1879 schreef hij zich in aan de natuurwetenschappelijk faculteit van de universiteit van Genève. Hij haalde zijn baccalaureaat, en verhuisde naar Dresden. Toen hij bezig was aan zijn dissertatie (over het opstijgen van plantensappen) stak zijn ziekte weer de kop op. Neurasthenie was nu de diagnose van de artsen, destijds een populaire aandoening. In de door zijn zenuwziekte opgedrongen ledige uren bestudeerde hij geschiedenis, filosofie, literatuur en muziek, en hij schreef zijn eerste essays in de Duitse taal.

De schrijfdemon
    In 1889 vestigt hij zich in Wenen om zich weer toe te leggen op zijn onderzoek naar de plantenfysiologie. Dan, op de ochtend van de 19e januari 1892, wordt hij gegrepen door iets dat door Chamberlain omschreven wordt als „de schrijfdemon“. Deze demon, waarvan Chamberlain zegt dat hij hem niet negeren kan, zet hem aan tot schrijven, waarna hij zijn eigen schrijfsels soms niet meer als van zichzelf herkend. Het zijn dit soort uitspraken die occultisten er toe hebben aangezet te menen dat hij helderziend was en bezeten was van demonen. H. S. Chamberlain zelf is echter vrij duidelijk over de aard van deze demon: het gaat om een alter ego die in hem huist, vergelijkbaar met de daimoon van Socrates (1). Hoe dan ook, vanaf dat moment is Chamberlain vastbesloten schrijver te worden.

Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts
    Zijn belangrijkste werk is  Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts, 1899. Centraal in dit boek staat het idee dat de Westerse beschaving haar superioriteit op moreel, cultureel, wetenschappelijk en technisch gebied vooral te danken heeft aan de invloed die het Germaanse ras, inclusief de Kelten en de Slaven, door de eeuwen heen op het verloop van de geschiedenis heeft gehad:

„Gewisse Anthropologen hatten uns belehren wollen, alle Menschenrassen seien gleichbegabt; wir wiesen auf das Buch der Geschichte hin und antworteten: das lügt ihr! Die Rassen der Menschheit sind in der Art ihrer Befähigung, sowie in dem Masse ihrer Befähigung sehr ungleich begabt, und die Germanen gehören zu jener Gruppe der Zuhöchstbegabten, die man als Arier zu bezeichnen pflegt. Ist diese Menschenfamilie eine durch Blutbande geeinigte, einheitliche? Entwachsen diese Stämme wirklich alle der selben Wurzel? Ich weiss es nicht, es gilt mir auch gleich...“ (30).
(„Zekere anthropologen hebben ons willen beleren dat alle mensenrassen gelijkelijk begaafd zijn; wij verwijzen naar het boek van de geschiedenis en antwoorden: dat is een leugen! De menselijke rassen zijn, in de aard van hun vaardigheden zowel als in de mate waarin ze deze vaardigheden hebben, zeer ongelijk begiftigd, en de Germanen behoren tot de groep van de hoogstbegaafden, die men met de term Arier pleegt aan te duiden. Zijn het bloedbanden die van deze mensenfamilie een eenheid hebben gemaakt? Hebben al deze stammen werkelijk één gemeenschappelijke wortel? Ik weet het niet en het interesseert me ook maar weinig...“)

Tegenstanders van het Germaanse ras zijn dan de Rooms-katholieke kerk („de schild- en wapendraagster van alle anti-Germaanse krachten“ (31)), het Jodendom, de Jezuitenorde en andere schimmige machten, die een rassenoorlog vochtten en nog steeds vechten, „de oorlog die om ons heen gevoerd wordt tussen cultuur opbouwende en cultuurvijandige elementen“ (12). Hoewel het boek niet enthousiast ontvangen werd door de Kerk en in Joodse kringen, haalde het enorme verkoopcijfers in Duitsland, werd vertaald in het Engels en het Frans, en was van grote invloed op het denken van zijn tijdgenoten. In zijn bespreking van The Foundations schreef George Bernard Shaw:

„It is a masterpiece of really scientific history. It does not make confusion, it clears it away. He is a great generalizer of thought, as distinguished from the crowd of our mere specialists. It is certain to stir up thought. Whoever has not read it will be rather out of it in political and sociological discussions for some time to come.“ (2)
(„Het is een meesterwerk van echte geschiedeniswetenschap. Het verwart niet, het neemt verwarring weg. Hij is een grootse gedachtenveralgemener, te onderscheiden van de massa van onze zuivere specialisten. Het zal zeker gedachten losmaken. Eenieder die het niet gelezen heeft zal niet veel te vertellen hebben in politieke en sociologische discussies voor lange tijd.“)
en President Theodore Roosevelt, hoewel geen bewonderaar van Chamberlain's werk, schreef:
„... a man who can write such a really beautiful and solemn appreciation of true Christianity, of true acceptance of Christ's teachings and personality, as Mr. Chamberlain has done, (...) represents an influence to be reckoned with and seriously to be taken into account.“ (3)
(„... een man die zo'n echt prachtige en plechtige beschouwing van waarachtig Christendom kan schrijven, van waarachtige aanvaarding van de leringen en persoonlijkheid van Christus, als Mr. Chamberlain gedaan heeft, (...) vertegenwoordigt een invloed waarmee men rekening dient te houden en die serieus aandacht verdient.“)
Graaf Gobineau
Joseph Arthur, Comte de Gobineau. Klik voor vergroting    Een voorloper van Chamberlain was Joseph Arthur, comte de Gobineau (1816—1882), die in zijn werk Essai sur l’inégalité des races humaines (1853) (14) de superioriteit van de Noordse rassen betoogde, maar tegelijk hun ondergang — door onafwendbare rassenvermenging — profeteerde: „Nous ne descendons pas du singe, mais nous y allons“ (We stammen niet af van de apen, maar we gaan wel die kant op). H. S. Chamberlain, die met zijn wetenschappelijke achtergrond wel beter wist, bestrijdt dit laatste (4), al citeert hij met instemming Charles Darwin's woorden aangaande ongecontroleerde rassenvermenging: „Free crossing obliterates characters.“ (Vrije kruisingen wissen karaktereigenschappen uit) (5). Graaf Gobineau was een vriend van Richard Wagner.

De niet-Joodse Jezus
    Een van de terugkerende thema's in het werk van Chamberlain is die van de niet-Joodse Jezus (17). Hij geeft toe er geen hard bewijs voor te hebben, maar draagt vele indirecte aanwijzingen aan om zijn theorie aannemelijk te maken. Een paar punten uit zijn lange lijst:

  • Galilea werd verkocht door koning Salomo aan de koning van Tyrus (1 Koningen 9:11). Dat kon hij doen, volgens Chamberlain, omdat er in dat gebied vrijwel geen Joden woonden.
  • Jezus werd niet geboren in het Joodse Judea, maar in het buitengebied Galilea, en Gelil haggoyim betekent „Gewest der heidenen“.
  • Jezus zelf spreekt negatief over Joden: Mattheus 8:12: „...maar de kinderen van het Koninkrijk [i. e. de Joden] zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis...“, Johannes 8:47: „...Wie uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gij niet, omdat gij uit God niet zijt. De Joden antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet terecht, dat Gij een Samaritaan zijt...“, Mattheus 23:33 „Gij slangen, gij addergebroed...“
    Volgens Chamberlain heeft de Christelijke religie zich ontwikkeld tot een bloeddorstig totalitair systeem door de negatieve invloed van de rassenchaos waaruit de Katholieke kerk tevoorschijn kwam na de val van het Romeinse rijk, en, ten tweede, door oud-testamentische wetten, en dus door Joodse invloed. Na eeuwen van Rooms-katholieke terreur waren het de Germaanse krachten, belichaamd in Franciscus van Assisi, Martin Luther en anderen, die het Christendom omwerkten tot de religie die Jesus voor ogen heeft moeten staan. Keizer Wilhelm II, overtuigd van deze theorieën, ging nog een stap verder: het Oude Testament zou uit de Bijbel verwijderd moeten worden (met uitzondering van een paar psalmen), om zodoende de laatste banden tussen Jodendom en Christendom los te snijden (18).

Brahmanisme
    Een ander terugkerend thema in Chamberlain's werk is de overeenkomst tussen Germaans denken en het Indiase Brahmanisme: de Indo-Arische filosofie. Chamberlain citeert vaak uit de Upanishads, de Veda's en andere heilige teksten om deze zienswijze te rechtvaardigen, en zijn boek  Arische Weltanschauung is geheel gewijd aan dit onderwerp. In dit boek zegt hij dat kennis van de Indo-Arische filosofie als tegenwicht zou dienen tegen een Semitische wereldbeschouwing, en dat de Indische wijzen de Westerling het doel van zijn beschaving zouden kunnen laten zien (25).

Richard Wagner
    H. S. Chamberlain was zijn leven lang gefascineerd door de componist Richard Wagner. In Juli 1882 woonde hij in Bayreuth de première (en de 5 daaropvolgende voorstellingen) van de Parsifal bij. Wagner stierf het jaar daarop en ze hebben elkaar nooit ontmoet, maar zijn genie had een blijvende invloed op Chamberlain. In 1896 kwam zijn tweede Wagner-boek uit (Richard Wagner), een populair en belangrijk werk, dat nog steeds als een klassieker beschouwd wordt. Hij kreeg het erelidmaatschap van de Weense Akademische Wagnerverein. Gedurende zijn leven schreef hij naar schatting een 50-tal essays over Wagner en zijn muziek. Een hiervan, Künstlerische Dankbarkeit (een vergelijking tussen Wagner en Franz Liszt), werd gelezen door Liszt's dochter, Cosima Wagner, en zij nodigde de schrijver uit voor een ontmoeting, 12 Juni 1888. Dit was het begin van een blijvende vriendschap, en ze onderhielden een uitgebreide  correspondentie met elkaar tot 1908. In dat jaar trouwde hij zijn 2e vrouw Eva, de dochter van Richard en Cosima Wagner.

Keizer Wilhelm II
    H. S. Chamberlain werd uitgenodigd door Wilhelm II op het paleis in Potsdam. De keizer was zeer ingenomen met de Engelsman die het Germaanse ras de oneindigheid in prees. In een brief aan Chamberlain schreef hij „Het was God die Uw boek naar het Duitse volk en U persoonlijk naar mij zond.“ (6). Chamberlain werd een vriend en adviseur van Wilhelm II. In een van zijn brieven aan de keizer schreef hij:

„Deutschland [...] kann dahin gelangen, die gesamte Erdkugel (teils unmittelbar politisch, teils mittelbar, durch Sprache, Kultur, Methoden) zu beherrschen, wenn es nur gelingt, beizeiten den „neuen Kurs“ einzuschlagen, und das heißt, die Nation zum endgültigen Bruch mit den angloamerikanischen Regierungsidealen zu bringen. Die Freiheit, die Deutschland braucht, ist die [...] unbeschränkte Freiheit des Denkens, der Religion, der Wissenschaft — nicht die Freiheit, sich selber schlecht zu regieren.“ (19).
(„Het kan Duitsland lukken de gehele aardbol te beheersen (deels rechtstreeks, door politiek, deels indirect, door spraak, cultuur, methoden), als het er maar bijtijds in slaagt de „nieuwe koers“ te volgen, wat zeggen wil, dat de natie moet breken met Anglo-Amerikaanse regeringsidealen. De vrijheid, die Duitsland nodig heeft, is de onbeperkte vrijheid van denken, van religie, van wetenschap — niet de vrijheid, zichzelf slecht te regeren.“)
De Eerste Wereldoorlog
Het Russische leger verslagen — Tannenberg 1914    Toen in de 1e wereldoorlog Engeland de zijde van de Entente koos werd dat door een teleurgestelde H. S. Chamberlain gezien als rassenverraad. Tijdens de oorlog schreef hij een reeks Kriegsaufsätze, propaganda voor de Duitse zaak; hoogst succesvolle oorlogsessays waarvan er honderdduizenden werden verkocht. De opbrengst ging naar het Rode Kruis. In deze essays is meermaals sprake van een toekomstige leiderfiguur, „de man met het leeuwenhart“ (26). In zijn essay Der Wille zum Sieg, 1916, heet het: „Die Deutschen stehen bereit; ihnen fehlt nur der vom heiligen Geist eingesetzte Führer“ — de Duitsers staan klaar, het enige wat nog ontbreekt is een door God gezonden Führer (27). Voorts legt hij in deze essays de basis voor wat later bekend zou worden als de „Dolkstootlegende“, die een belangrijke rol zou gaan spelen in het interbellum: het idee dat er in Duitsland „Niederträchtiche“ elementen (28) rondlopen die Duitsland graag zouden zien verliezen en er ook moeite voor doen om dat te laten gebeuren. Helemaal ongefundeerd, zoals zekere historici beweren, is deze theorie niet; in links-intellectuele kringen was men van mening dat het een ramp zou zijn als Duitsland de oorlog zou verliezen, maar dat het nog erger zou zijn als het zou winnen: dan zou men nooit meer van de keizer afkomen: „Wenn Deutschland den Krieg gewinnt, dann bleibt das wilhelminische System und dann ist das Leben unmöglich“. Een prominente vertegenwoordiger van deze stroming is Albert Einstein (29).

Rechts: het Russische leger, verslagen door von Hindenburg, geeft zich over. Tannenberg 1914. Klik hier voor meer WO1 foto's.

In 1915 kreeg H. S. Chamberlain het ijzeren kruis voor zijn verdiensten voor het Duitse rijk. Uit loyaliteit liet hij zich het jaar daarop tot Duitser naturaliseren. Duitsland verloor de strijd en door de ententelanden werd het verdrag van Versailles opgesteld. Dit verdrag had als doel Duitsland economisch te ruïneren, om zodoende te voorkomen dat het land ooit nog eens een oorlog zou kunnen uitvechten. Tevens hoopte men er financieel op vooruit te gaan:
„The occupation of German territory by the allied troops should be accompanied by the destruction of all the large industries within the sphere of occupation. It is held that if it were known and felt here and in France that such a scheme of organised destruction was to be carried out on German territory, capital would be at once stimulated in steady streams in aid of the home industries, which would profit enormously by the course taken.“ (7).
(„De bezetting van Duits gebied door de geallieerde troepen zou gepaard moeten gaan met de vernietiging van alle zware industrie in de bezette gebieden. Het idee is dat als men zich er hier en in Frankrijk bewust van zou zijn dat een dergelijke voornemen van georganiseerde vernietiging op Duits grondgebied zou worden uitgevoerd, dat direct krachtige kapitaalstromen zou bewerkstelligen ter ondersteuning van onze thuisindustrie, die enorm van deze koers zou profiteren.“) 
    Dit ongelukkige plan werd inderdaad uitgevoerd. De hyperinflatie en chaos in Duitsland die hiervan het gevolg waren vormden een ideale voedingsbodem voor extremistische politieke groeperingen. Toen de geallieerden met verzachtende maatregelen kwamen was het te laat: Adolf Hitler won op 5 maart 1933 de verkiezingen voor de rijksdag.

Het Derde Reich
    Hoewel vaak beweerd, is het niet echt duidelijk of, en hoe, Adolf Hitler werd beïnvloed door de geschriften van H. S. Chamberlain. Ze ontmoetten elkaar op 30 September 1923, tijdens een Deutscher Tag in Bayreuth. H. S. Chamberlain, oud, ziek, en verbitterd, zag Hitler als de redder waarop Duitsland zat te wachten, en naar aanleiding van deze ontmoeting schreef hij aan Hitler: U is helemaal niet, zoals men mij U beschreven heeft, een fanaticus, ik zou U veeleer het volstrekte tegendeel van een fanaticus willen noemen. [...] De fanaticus wil overreden, U wil overtuigen, alleen overtuigen.(8)

Deze brief betekende een succes voor Hitler, want de goedkeuring van de beroemde schrijver voor de nog jonge beweging zou zeker nieuwe aanhangers trekken. (22). Na de mislukte bierkeller putsch werd Hitler gevangen gezet in de Landsberg gevangenis, waar hij zijn politiek manifest Mein Kampf dicteerde aan Rudolf Hess. De brieven die Hitler hiervandaan aan H. S. Chamberlain schreef zijn verloren gegaan, en het is onbekend wat Hitler zijn collegaschrijver te melden had over het schrijfproces. In Mein Kampf is slechts één verwijzing naar H. S. Chamberlain te vinden:

„...die offiziellen Stellen der Regierung gingen an den Erkenntnissen eines H. S. Chamberlain genau so gleichgültig vorüber, wie es heute noch geschieht. Diese Leute sind zu dumm, selbst etwas zu denken...“ (16)
(„...de officiele regeringsbeambten gingen net zo onverschillig aan de inzichten van een H. S. Chamberlain voorbij, als nu nog steeds gebeurt. Deze lieden zijn te stom om zelf iets te denken...“)
De titel van Hitlers boek, Mein Kampf, doet denken aan de titel van de derde sectie van Chamberlain's Grundlagen, genaamd Der Kampf. Deze sectie handelt over de fysieke en mentale strijd van de Germaanse krachten tegen Rooms-katholiek imperialisme en Joodse theocratie, maar deze overeenkomst kan net zo goed toeval zijn. Aan de andere kant blijkt Hitlers verachting voor geleerden die voornamelijk veel schrijven en nooit in actie komen uit citaten als:
„Überhaupt habe ich schon damals [...] vor jenen deutschvölkischen Wanderscholaren warnen müssen, deren positive Leistung immer gleich Null ist, deren Einbildung aber kaum übertroffen zu werden vermag. [...] Wer vierzig Jahre lang für eine sogenannte Idee eintritt, ohne selbst den geringsten Erfolg herbeiführen zu können, ja ohne den Sieg des Gegenteils verhindert zu haben, hat den Wahrheitsbeweis für die eigene Unfähigkeit in vierzigjähriger Tätigkeit erbracht.“ (20)
(„Ik moest per slot van rekening toen al waarschuwen voor die duits-volkse zwerfgeleerden, wier positive prestaties altijd gelijk aan nul zijn, maar van wie de inbeelding nauwelijks te overtreffen valt. [...] Wie veertig jaar lang staat voor een idee, zonder zelfs maar het geringste resultaat te bewerkstelligen, ja zonder de overwinning van het tegendeel verhinderd te hebben, heeft het waarheidsbewijs van zijn eigen onbekwaamheid tijdens veertigjarige werkzaamheid geleverd.“)
Het is zeer goed mogelijk dat Hitler in bovenstaand citaat helemaal niet op H. S. Chamberlain doelt, en dat zijn respect voor zijn mede-Wagneriaan oprecht was, maar Chamberlain's visie op een Germaans Christendom kon hij zeker niet gebruiken: „De reden dat de antieke wereld zo puur, licht en sereen was, is dat deze nog geen kennis had gemaakt met twee grote plagen: de pokken en het Christendom“, zei Hitler in een van zijn tafelredes, en: „Volgens mij had H. S. Chamberlain zich vergist toen hij het Christendom als een realiteit op spiritueel niveau opvatte.“

Hoewel H. S. Chamberlain overtuigd was van een Joodse bedreiging voor de Germaanse wereld, en dat het Jodendom “een gevaar voor elke cultuur“ betekende, (9) was hij geen voorstander van een gewelddadige oplossing voor het „Joodse vraagstuk“ („we mogen zelfs geen haar op hun hoofd krenken...“ (21), en daarnaast geloofde hij niet in Joodse wereldcomplotten:

„...doch glaube ich, dass wir geneigt sind, unsere eigenen Kräfte [...] sehr zu unterschätzen und den jüdischen Einfluss sehr zu überschätzen. Hand in Hand damit geht die geradezu lächerliche und empörende Neigung, den Juden zum allgemeinen Sündenbock für alle Laster unserer Zeit zu machen...“ (11).
(„...toch geloof ik dat wij geneigd zijn onze eigen krachten zeer te onderschatten en de Joodse invloed zeer te overschatten. Hand in hand hiermee gaat de echt belachelijke en stuitende neiging, de Joden tot algemene zondenbok voor alle problemen van onze tijd te maken...“)
Volgens de biograaf van H. S. Chamberlain, G. G. Field, hadden „Hitler, Hess, Goebbels, Eckart, Himmler, von Schirach, en vooral Rosenberg (10) Chamberlain gelezen en verklaard door hem te zijn beïnvloed. Hans Kerrl, Reichsminister für kirchlichen Angelegenheiten, en Hans Schemm, de Bayreuther volksschoolleraar die Kultusminister van Beieren werd, waren evenzeer grote bewonderaars, terwijl Nazi-intellectuelen als Hans F. K. Günther, Alfred Bäumler, Walter Frank, Ernst Krieck, en de fysicus en nobelprijswinnaar Philipp Lenard hem overlaadden met kinderlijk respect.“ (24)

Andere bewonderaars waren Lord Redesdale, Winston Churchill, D. H. Lawrence, de Amerikaanse senator Albert J. Beveridge, nobelprijswinnaar Albert Schweitzer, en de Nederlandse mystiek filosoof P. H. Hugenholtz. (15)

In Mei 1926 bezocht Hitler de zwaar zieke schrijver voor de laatste maal. In het dagboek van Goebbels is een passage te vinden die de ontmoeting beschrijft:

„Erschütterende Szene: Chamberlain auf einem Ruhebett. Gebrochen, lallend, die Tränen stehen ihm in den Augen. Er hält meine Hand und will mich nicht lassen. Wie Feuer brennen seine großen Augen. Vater unseres Geistes, sei gegrüßt. Bahnbrecher, Wegbereiter! Ich bin im Tiefsten aufgewühlt. Abschied. Er lallt, will sprechen, es geht nicht — und dann weint er wie ein Kind! Langer, langer Händedruck! Leb wohl! Du bist bei uns, wenn wir verzweifeln wollen. Draußen klatscht Regen! Ich hab das Bedürfnis zu schreien, zu weinen.“ (23)
(„Verpletterende scene: Chamberlain op een rustbed. Gebroken, mummelend, de tranen staan hem in de ogen. Hij houdt mijn hand vast en wil me niet laten gaan. Zijn grote ogen branden als vuur. Vader van onze geest, wees gegroet. Baanbreker, wegbereider! Ik ben diep geraakt. Afscheid. Hij mummelt, wil spreken, het gaat niet — en dan huilt hij als een kind! Lange, lange handdruk! Vaarwel! Je bent bij ons, als wij nabij vertwijfeling zijn. Buiten klettert regen! Ik heb zin om te schreeuwen, te huilen.“)
H. S. Chamberlain stierf een paar maanden later aan zijn zenuwziekte, in Bayreuth, 71 jaar oud, 9 Januari 1927. Het laatste boek dat hij geschreven had was Mensch und Gott, een pleidooi voor een nieuw Christendom zonder dogma's en sacramenten. Op zijn grafsteen werden de woorden van Lukas 17:21 gebeiteld: „Das Reich Gottes ist inwendig in euch“. Het koninkrijk Gods is in U.

 
 
 
Noten
  1. Zie Lebenswege meines Denkens, blz. 151. Zie ook blz. 3 en blz. 123.
  2. Gepubliceerd in Fabian News, Juni 1911. Shaw betitelde The Foundations ook als: „The greatest Protestant Manifesto ever written, as far as I know“ (A Treatise on Parents and Children, Chapter 58.)
  3. Gepubliceerd in The Outlook, ook opgenomen in History as Literature, 1913.
  4. Zie Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts, blz. 267.
  5. Charles Darwin, Animals and Plants under Domestication, Hoofdstuk XV en XIX.
  6. Zie voor de gehele brief van de keizer Briefe 1882-1924 und Briefwechsel mit Kaiser Wilhelm II, deel 2, blz. 141.
  7. Gepubliceerd in het Engelse tijdschrift The Engineer, 25 Sept. 1914, Band 118, Nr. 3065, blz. 295.
  8. Zie voor de gehele brief aan Hitler Briefe 1882-1924 und Briefwechsel mit Kaiser Wilhelm II, deel 2, blz. 124.
  9. Zie Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts, blz. 450.
  10. Alfred Rosenberg, Reichsleiter van de nazipartij, werd in 1946 in Nürnberg ter dood veroordeeld wegens misdaden tegen de menselijkheid. Zijn boek Der Mythus des 20. Jahrhunderts (The myth of the 20th century) is beïnvloed door H. S. Chamberlain's Die Grundlagen des 19. Jahrhunderts.
  11. Zie Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts, blz. 18.
  12. Zie Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts, blz. 493.
  13. Klinkt als het syndroom van Stendhal, als je 't mij vraagt, maar ik ben natuurlijk geen psychiater.
  14. Een gescande versie van Gobineau's Essai sur l’inégalité des races humaines is te vinden op de site van de Bibliothèque nationale de France. Ook La Genèse du 19me siècle is hier te vinden.
  15. Lord Redesdale vertaalde ook Chamberlain's boek Immanuel Kant, en deed, volgens Chamberlain, ook de vertaling van de Grundlagen, hoewel dit boek officieel vertaald was door John Lees. Zie Chamberlain's brief aan Keizer Wilhelm II, 18 Dec. 1913. Winston Churchill: zie G. G. Field's Evangelist of race, blz. 463. David Herbert Lawrence: zie Emile Delavenay's D. H. Lawrence: the man and his work: the formative years 1885—1919. Senator Albert J. Beveridge: zie Chamberlain's brief aan H. Bruckmann, 11 Feb. 1915. Albert Schweitzer: zie Schweitzer's boek Aus meinem Leben und Denken, blz. 30.  Petrus H. Hugenholtz: zie Hugenholtz' boek Ethisch Pantheisme.
  16. Zie Mein Kampf, deel I, hoofdstuk 10, blz 296.
  17. Zie bijvoorbeeld de secties Die Galiläer en Christus kein Jude van Die Grundlagen, of Betrachtung über Jesu Verhältnis zu dem Juden uit zijn boek Mensch und Gott, blz. 110. Merk op dat Chamberlain nooit heeft geschreven dat Jesus een „Arier“ of een „Germaan“ was, zoals zijn critici beweerden (en nog steeds beweren). Zie bijvoorbeeld de Joodse anthropoloog M. Fishberg, die schreef (The Jews, a Study of Race and Environment, 1911) dat „H. S. Chamberlain is even convinced that Jesus was an 'Aryan' or 'Teuton'“. „Waarom niet meteen een Berlijner?“ was Chamberlain's droge commentaar (La Genèse du XIXme siècle, p. 299).
  18. Zie de aantekeningen van keizer Wilhlem II bij Chamberlain's boek Mensch und Gott, opgenomen in Briefe 1882-1924 und Briefwechsel mit Kaiser Wilhelm II, blz. 265 en blz. 273.
  19. Zie Briefe 1882-1924 und Briefwechsel mit Kaiser Wilhelm II, brief van 20 Februari 1902.
  20. Zie Mein Kampf, deel I, hoofdstuk 12, blz. 396.
  21. In een brief aan Baron J. von Uexküll, 8 Januari 1919.
  22. Zie Prof. G. G. Field's Evangelist of Race: The Germanic Vision of H. S. Chamberlain, blz. 438: „According to Stolzing-Cerny, Hitler rejoiced like a child“. Stolzing-Cerny was een redacteur van de Völkischer Beobachter, partijorgaan van de NSDAP. Zie ook Bruno Brehm's Der Trommler, blz. 262-270, een geromantiseerd verslag van de ontmoeting tussen Hitler en H. S. Chamberlain.
  23. Zie Das Tagebuch von Joseph Goebbels 1925/26, blz. 77, geredigeerd door Helmut Heiber, Schriftenreihe der Vierteljahrshefte für Zeitgeschichte, Deutsche Verlags-Anstalt, Stuttgart.
  24. Zie Prof. G. G. Field's Evangelist of Race: The Germanic Vision of H. S. Chamberlain, blz. 452.
  25. Zie Arische Weltanschauung, p. 33 ff., of mijn vertaling, Aryan World-view, p. 33 ff.
  26. H. S. Chamberlain gebruikt de term „Mann mit dem Löwenherzen“ in zijn essays Deutschlands Kriegsziel, 1916, en Der Wille zum Sieg, 1916. Zijn essay Demokratie und Freiheit, 1917, is opgedragen aan deze toekomstige leider. Hij verwijst naar Martin Luther's Über den Nutzen der Historien, waar deze term ook gebruikt wordt, alleen bedoelde Luther er niet een leiderfiguur mee, maar een man die de waarheid durft te schrijven, wat er ook van komen mag.
  27. Ik laat het woord „Führer“ onvertaald om voor de hand liggende redenen; het betekent gewoon „leider“, meer niet.
  28. Zie bijvoorbeeld Die Zuversicht, 1915, of Das eine und das andere Deutschland, 1917, of Die deutsche Vaterlandspartei, 1916.
  29. Zie Abraham Pais' Einstein woonde hier, blz. 117.
  30. Zie Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts, blz. 502. „Zekere anthropologen“: Chamberlain heeft het over de heren van de Allgemeine Versammlung der deutschen anthropologischen Gesellschaft, die geschreven hadden, 1892, dat „de ontwikkeling van de cultuur duidelijk het gemeenschappelijke werk is van al deze soorten. Alle europese rassen zijn dus, voorzover we in het geheim van de rassennatuur binnengedrongen zijn, gelijk begaafd voor elke culturele taak<>. („Die Entwickelung der Kultur ist offenbar die gemeinsame That aller dieser Typen. Alle europäischen Rassen sind also, so weit wir bisher in das Geheimnis der Rassennatur eingedrungen sind, gleichbegabt für jede Aufgabe der Kultur.)
  31. Zie Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts, blz. 515.

 
 
 
 
 
 
Page in English
Tijdtafel 1855—1939
Fotogalerij
Bibliographie & Boeken online
Citaten
Kommentaren en kritieken van tijdgenoten
Over deze site

 















Einde pagina. Laatste wijziging: 3 February 2008