|
Jeugd
Houston Stewart Chamberlain werd geboren op 9 September 1855 in
Southsea,
Engeland. Zijn moeder, Eliza
Jane Hall, overleed nog voor zijn 2e
levensjaar, en hij werd
opgevoed door zijn grootmoeder in Frankrijk. Zijn vader,
schout-bij-nacht William
Charles
Chamberlain, had voor hem een militaire carrière
gepland, en op zijn 11e jaar werd hij naar een kostschool voor
aankomende
landmacht- en marineofficieren gestuurd. De jonge H. S. Chamberlain had
echter meer belangstelling voor muziek, sterrenkunde en literatuur, en
het vooruitzicht ergens in India of een andere Britse kolonie te dienen
als officier lokte hem niet aan.
(Rechts: de
verschijning
van de komeet van Donati in 1858 maakte een diepe indruk op de 3 jaar
oude
H. S. Chamberlain, en droeg bij aan zijn levenslange interesse voor
natuurverschijnselen. Klik
hier voor afbeeldingen van de komeet en H. S. Chamberlain's
herinneringen
aan de verschijning.)
Kuuroorden
Op zijn 14e was
zijn
gezondheid er slecht aan toe. De geraadpleegde artsen vermoedden, ten
onrechte,
een ziekte aan de luchtwegen. Hij verliet Engeland om op het europese
vasteland
het ene kuuroord na het andere te bezoeken, zoals Bad Ems, Montreux en
Cannes. Hij werd hierbij vergezeld door zijn tante en een Pruissische
privéleraar, Otto
Kuntze. Deze
Kuntze onderwees hem de Duitse taal, en wekte bij
zijn
leergierige pupil belangstelling op voor Duitse geschiedenis,
literatuur
en filosofie. Als in 1874 zijn vader hem komt opzoeken in Zwitserland,
om hem over te halen terug te keren naar Engeland en zijn studie af te
maken, weigert Chamberlain. Door zijn Franse achtergrond en zijn
negatieve
ervaringen in Engeland was hij al te ver van zijn vaderland vervreemd
geraakt. In Cannes ontmoette hij ook zijn eerste vrouw, Anna Horst, met
wie hij in 1878 trouwde.
Studie
Hij verhuisde
naar
Florence voor een universitaire studie botanica. Daar kwam niets van
terecht,
de stad had zoveel hoog-artistieke indrukken te bieden dat hij 7
maanden
lang in een artistieke roes verkeerde. Een dergelijke toestand overviel
hem ook toen hij voor het eerst met de werken van Shakespeare, en
later,
met die van Wagner in
aanraking kwam (13).
In 1879 schreef hij zich in aan de natuurwetenschappelijk faculteit van
de
universiteit van Genève. Hij haalde zijn baccalaureaat, en
verhuisde
naar Dresden. Toen hij bezig was aan zijn dissertatie (over het
opstijgen
van plantensappen) stak zijn ziekte weer de kop op. Neurasthenie
was nu de diagnose van de artsen, destijds een populaire aandoening. In
de door zijn zenuwziekte opgedrongen ledige uren bestudeerde hij
geschiedenis,
filosofie, literatuur en muziek, en hij schreef zijn eerste essays in
de
Duitse taal.
De
schrijfdemon
In 1889 vestigt
hij
zich in Wenen om zich weer toe te leggen op zijn onderzoek naar de
plantenfysiologie.
Dan, op de ochtend van de 19e januari 1892, wordt hij gegrepen door
iets
dat door Chamberlain omschreven wordt als „de schrijfdemon“. Deze
demon,
waarvan Chamberlain zegt dat hij hem niet negeren kan, zet hem aan tot
schrijven, waarna hij zijn eigen schrijfsels soms niet meer als van
zichzelf
herkend. Het zijn dit soort uitspraken die occultisten er toe hebben
aangezet
te menen dat hij helderziend was en bezeten was van demonen. H. S.
Chamberlain
zelf is echter vrij duidelijk over de aard van deze demon: het gaat om
een alter ego die in hem huist, vergelijkbaar met de daimoon
van Socrates (1). Hoe dan ook,
vanaf
dat moment is Chamberlain vastbesloten schrijver te worden.
Die
Grundlagen des neunzehnten
Jahrhunderts
Zijn
belangrijkste
werk is Die Grundlagen des neunzehnten
Jahrhunderts, 1899. Centraal in dit
boek staat het idee dat de Westerse beschaving haar superioriteit op
moreel,
cultureel, wetenschappelijk en technisch gebied vooral te danken heeft
aan de invloed die het Germaanse ras, inclusief de Kelten en de Slaven,
door de eeuwen heen op het verloop van de
geschiedenis
heeft gehad:
„Gewisse Anthropologen hatten uns
belehren wollen, alle Menschenrassen seien gleichbegabt; wir wiesen auf
das Buch der Geschichte hin und antworteten: das lügt ihr! Die
Rassen der Menschheit sind in der Art ihrer Befähigung, sowie in
dem Masse ihrer Befähigung sehr ungleich begabt, und die Germanen
gehören zu jener Gruppe der Zuhöchstbegabten, die man als
Arier zu bezeichnen pflegt. Ist diese Menschenfamilie eine durch
Blutbande geeinigte, einheitliche? Entwachsen diese Stämme
wirklich alle der selben Wurzel? Ich weiss es nicht, es gilt mir auch
gleich...“ (30).
(„Zekere anthropologen
hebben ons willen beleren dat alle mensenrassen gelijkelijk begaafd
zijn; wij verwijzen naar het boek van de geschiedenis en antwoorden:
dat is een leugen! De menselijke rassen zijn, in de aard van hun
vaardigheden zowel als in de mate waarin ze deze vaardigheden hebben,
zeer ongelijk begiftigd, en de Germanen behoren tot de groep van de
hoogstbegaafden, die men met de term Arier pleegt aan te duiden. Zijn
het bloedbanden die van deze mensenfamilie een eenheid hebben gemaakt?
Hebben al deze stammen werkelijk één gemeenschappelijke
wortel? Ik weet het niet en het interesseert me ook maar weinig...“)
Tegenstanders van het Germaanse ras zijn dan de Rooms-katholieke kerk
(„de schild- en wapendraagster van alle anti-Germaanse krachten“ (31)), het Jodendom, de Jezuitenorde en
andere schimmige machten, die een rassenoorlog vochtten en nog steeds
vechten, „de oorlog die om ons heen gevoerd wordt tussen cultuur
opbouwende en cultuurvijandige elementen“ (12).
Hoewel het boek niet enthousiast ontvangen werd door de Kerk en in
Joodse kringen, haalde het enorme verkoopcijfers in Duitsland, werd
vertaald in het Engels
en het Frans, en was van grote invloed op het denken van zijn
tijdgenoten.
In zijn bespreking van The Foundations schreef George Bernard
Shaw:
- „It is a masterpiece of
really scientific
history. It does not make confusion, it clears it away. He is a great
generalizer
of thought, as distinguished from the crowd of our mere specialists. It
is certain to stir up thought. Whoever has not read it will be rather
out
of it in political and sociological discussions for some time to come.“
(2)
- („Het
is een meesterwerk
van echte geschiedeniswetenschap. Het verwart niet, het neemt
verwarring
weg. Hij is een grootse gedachtenveralgemener, te onderscheiden van de
massa van onze zuivere specialisten. Het zal zeker gedachten losmaken.
Eenieder die het niet gelezen heeft zal niet veel te vertellen hebben
in
politieke en sociologische discussies voor lange tijd.“)
en President Theodore
Roosevelt,
hoewel geen bewonderaar van Chamberlain's werk, schreef:
- „... a man who can write
such a really beautiful
and solemn appreciation of true Christianity, of true acceptance of
Christ's
teachings and personality, as Mr. Chamberlain has done, (...)
represents
an influence to be reckoned with and seriously to be taken into
account.“ (3)
- („...
een man die
zo'n echt prachtige en plechtige beschouwing van waarachtig Christendom
kan schrijven, van waarachtige aanvaarding van de leringen en
persoonlijkheid
van Christus, als Mr. Chamberlain gedaan heeft, (...) vertegenwoordigt
een invloed waarmee men rekening dient te houden en die serieus
aandacht
verdient.“)
Graaf Gobineau
Een voorloper van Chamberlain was Joseph
Arthur,
comte de Gobineau (1816—1882), die in zijn werk Essai sur
l’inégalité
des races humaines (1853) (14)
de superioriteit van de Noordse rassen betoogde, maar tegelijk hun
ondergang
— door onafwendbare rassenvermenging — profeteerde: „Nous ne descendons
pas du singe, mais nous y allons“ (We stammen niet af
van de apen, maar we gaan wel
die kant op). H. S. Chamberlain,
die met zijn wetenschappelijke achtergrond wel beter wist, bestrijdt
dit
laatste (4), al citeert
hij
met
instemming Charles Darwin's
woorden aangaande ongecontroleerde
rassenvermenging: „Free
crossing obliterates characters.“ (Vrije kruisingen wissen
karaktereigenschappen
uit) (5). Graaf Gobineau
was
een vriend van Richard Wagner.
De niet-Joodse
Jezus
Een van de
terugkerende
thema's in het werk van Chamberlain is die van de niet-Joodse Jezus (17).
Hij geeft toe er geen hard bewijs voor te hebben, maar draagt vele
indirecte
aanwijzingen aan om zijn theorie aannemelijk te maken. Een paar punten
uit zijn lange lijst:
- Galilea werd verkocht door
koning Salomo
aan de koning van Tyrus (1 Koningen 9:11). Dat kon hij doen,
volgens
Chamberlain, omdat er in dat gebied vrijwel geen Joden woonden.
- Jezus werd niet geboren in
het
Joodse Judea,
maar in het buitengebied Galilea, en Gelil haggoyim betekent
„Gewest
der heidenen“.
- Jezus zelf spreekt
negatief
over Joden: Mattheus
8:12: „...maar de kinderen van het Koninkrijk [i. e. de Joden] zullen
uitgeworpen
worden in de buitenste duisternis...“, Johannes 8:47: „...Wie
uit
God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gij niet, omdat gij uit God
niet zijt. De Joden antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet
terecht,
dat Gij een Samaritaan zijt...“, Mattheus 23:33 „Gij slangen,
gij
addergebroed...“
Volgens
Chamberlain heeft
de Christelijke religie zich ontwikkeld tot een bloeddorstig totalitair
systeem door de negatieve invloed van de rassenchaos waaruit de
Katholieke
kerk tevoorschijn kwam na de val van het Romeinse rijk, en, ten tweede,
door oud-testamentische wetten, en dus door Joodse invloed. Na eeuwen
van
Rooms-katholieke terreur waren het de Germaanse krachten, belichaamd in
Franciscus van Assisi,
Martin Luther en anderen, die het Christendom
omwerkten
tot de religie die Jesus voor ogen heeft moeten staan. Keizer Wilhelm
II,
overtuigd van deze theorieën, ging nog een stap verder: het Oude
Testament zou uit de Bijbel verwijderd moeten worden (met uitzondering
van een paar psalmen), om zodoende de laatste banden tussen
Jodendom en Christendom los te snijden (18).
Brahmanisme
Een ander
terugkerend
thema in Chamberlain's werk is de overeenkomst tussen Germaans denken
en
het Indiase Brahmanisme: de Indo-Arische filosofie. Chamberlain citeert
vaak uit de Upanishads, de Veda's en andere heilige
teksten
om deze zienswijze te rechtvaardigen, en zijn boek Arische Weltanschauung
is geheel gewijd aan dit onderwerp. In dit
boek zegt hij dat kennis van de Indo-Arische filosofie als tegenwicht
zou dienen tegen een Semitische wereldbeschouwing, en dat de Indische
wijzen de Westerling het doel van zijn
beschaving zouden kunnen laten zien (25).
Richard
Wagner
H. S.
Chamberlain
was zijn leven lang gefascineerd door de componist Richard Wagner. In
Juli
1882 woonde hij in Bayreuth de première (en de 5 daaropvolgende
voorstellingen) van de Parsifal bij. Wagner stierf het jaar
daarop
en ze hebben elkaar nooit ontmoet, maar zijn genie had een blijvende
invloed
op Chamberlain. In 1896 kwam zijn tweede Wagner-boek uit (Richard
Wagner),
een populair en belangrijk werk, dat nog steeds als een klassieker
beschouwd
wordt. Hij kreeg het erelidmaatschap van de Weense Akademische
Wagnerverein.
Gedurende zijn leven schreef hij naar schatting een 50-tal essays over
Wagner en zijn muziek. Een hiervan, Künstlerische Dankbarkeit
(een vergelijking tussen Wagner en Franz Liszt), werd gelezen
door
Liszt's
dochter, Cosima Wagner,
en zij nodigde de schrijver uit voor een
ontmoeting,
12 Juni 1888. Dit was het begin van een blijvende vriendschap, en ze
onderhielden
een uitgebreide
correspondentie met elkaar tot 1908. In dat jaar trouwde hij zijn
2e
vrouw Eva, de dochter
van Richard en Cosima Wagner.
Keizer
Wilhelm II
H. S.
Chamberlain
werd uitgenodigd door Wilhelm
II op het paleis in Potsdam. De keizer
was
zeer ingenomen met de Engelsman die het Germaanse ras de oneindigheid
in
prees. In een brief aan Chamberlain schreef hij „Het was God die Uw
boek
naar het Duitse volk en U persoonlijk naar mij zond.“ (6). Chamberlain
werd een vriend en adviseur van Wilhelm II. In een van zijn brieven aan
de keizer schreef hij:
- „Deutschland [...] kann
dahin gelangen,
die gesamte Erdkugel (teils unmittelbar politisch, teils mittelbar,
durch
Sprache, Kultur, Methoden) zu beherrschen, wenn es nur gelingt,
beizeiten
den „neuen Kurs“ einzuschlagen, und das heißt, die Nation zum
endgültigen
Bruch mit den angloamerikanischen Regierungsidealen zu bringen. Die
Freiheit,
die Deutschland braucht, ist die [...] unbeschränkte Freiheit des
Denkens, der Religion, der Wissenschaft — nicht die Freiheit, sich
selber
schlecht zu regieren.“ (19).
- („Het
kan Duitsland
lukken de gehele aardbol te beheersen (deels rechtstreeks, door
politiek,
deels indirect, door spraak, cultuur, methoden), als het er maar
bijtijds
in slaagt de „nieuwe koers“ te volgen, wat zeggen wil, dat de natie
moet
breken met Anglo-Amerikaanse regeringsidealen. De vrijheid, die
Duitsland
nodig heeft, is de onbeperkte vrijheid van denken, van religie, van
wetenschap
— niet de vrijheid, zichzelf slecht te regeren.“)
De Eerste Wereldoorlog
Toen in de 1e
wereldoorlog
Engeland de zijde van de Entente koos werd dat door een
teleurgestelde
H. S. Chamberlain gezien als rassenverraad. Tijdens de oorlog schreef
hij
een reeks Kriegsaufsätze, propaganda voor de Duitse zaak;
hoogst succesvolle oorlogsessays waarvan er honderdduizenden werden
verkocht. De opbrengst ging naar het Rode Kruis. In deze essays is
meermaals sprake van een toekomstige leiderfiguur, „de man met het
leeuwenhart“ (26). In
zijn essay Der Wille zum
Sieg, 1916, heet het: „Die Deutschen stehen bereit; ihnen fehlt
nur der vom heiligen Geist
eingesetzte Führer“ — de Duitsers staan klaar, het enige wat nog
ontbreekt is een door God gezonden Führer (27).
Voorts legt hij in deze essays de basis voor wat later bekend zou
worden als de „Dolkstootlegende“, die een belangrijke rol zou gaan
spelen in het interbellum: het idee dat er in Duitsland
„Niederträchtiche“ elementen (28)
rondlopen die Duitsland graag zouden zien verliezen en er ook moeite
voor doen om dat te laten gebeuren. Helemaal ongefundeerd, zoals zekere
historici beweren, is deze theorie niet; in links-intellectuele kringen
was men van mening dat het een ramp zou zijn als Duitsland de oorlog
zou verliezen, maar dat het nog erger zou zijn als het zou winnen: dan
zou men nooit meer van de keizer afkomen: „Wenn Deutschland den Krieg
gewinnt, dann
bleibt
das wilhelminische System und dann ist das Leben unmöglich“. Een
prominente vertegenwoordiger van deze stroming is Albert Einstein (29).
Rechts: het Russische leger, verslagen door von
Hindenburg, geeft zich over. Tannenberg 1914.
Klik
hier voor meer WO1 foto's.
In
1915 kreeg H. S. Chamberlain het ijzeren kruis voor zijn verdiensten
voor het Duitse
rijk. Uit loyaliteit liet hij zich het jaar daarop tot Duitser
naturaliseren.
Duitsland verloor de strijd en door de ententelanden werd het verdrag
van
Versailles opgesteld. Dit verdrag had als doel Duitsland economisch te
ruïneren, om zodoende te voorkomen dat het land ooit nog eens een
oorlog zou kunnen uitvechten. Tevens hoopte men er financieel op
vooruit
te gaan:
- „The occupation of German
territory by the
allied troops should be accompanied by the destruction of all the large
industries within the sphere of occupation. It is held that if it were
known and felt here and in France that such a scheme of organised
destruction
was to be carried out on German territory, capital would be at once
stimulated
in steady streams in aid of the home industries, which would profit
enormously
by the course taken.“ (7).
- („De
bezetting van
Duits gebied door de geallieerde troepen zou gepaard moeten gaan met de
vernietiging van alle zware industrie in de bezette gebieden. Het idee
is dat als men zich er hier en in Frankrijk bewust van zou zijn dat een
dergelijke voornemen van georganiseerde vernietiging op Duits
grondgebied
zou worden uitgevoerd, dat direct krachtige kapitaalstromen zou
bewerkstelligen
ter ondersteuning van onze thuisindustrie, die enorm van deze koers zou
profiteren.“)
Dit ongelukkige
plan
werd inderdaad uitgevoerd. De hyperinflatie en chaos in Duitsland die
hiervan
het gevolg waren vormden een ideale voedingsbodem voor extremistische
politieke
groeperingen. Toen de geallieerden met verzachtende maatregelen kwamen
was het te laat: Adolf Hitler
won op 5 maart 1933 de verkiezingen voor
de rijksdag.
Het Derde Reich
Hoewel vaak
beweerd,
is het niet echt duidelijk of, en hoe, Adolf Hitler werd beïnvloed
door de geschriften van H. S. Chamberlain. Ze ontmoetten elkaar op 30
September
1923, tijdens een Deutscher Tag in Bayreuth. H. S. Chamberlain,
oud, ziek, en verbitterd, zag Hitler als de redder waarop Duitsland zat
te wachten, en naar aanleiding van deze ontmoeting schreef hij aan
Hitler: „U
is helemaal niet, zoals men mij U beschreven heeft, een fanaticus, ik
zou
U veeleer het volstrekte tegendeel van een fanaticus willen noemen.
[...]
De fanaticus wil overreden, U wil overtuigen, alleen overtuigen.“ (8)
Deze brief betekende een succes
voor
Hitler, want de goedkeuring van de beroemde schrijver voor de nog jonge
beweging zou zeker nieuwe aanhangers trekken. (22).
Na de mislukte bierkeller putsch werd Hitler gevangen gezet in
de
Landsberg gevangenis, waar hij zijn politiek manifest Mein Kampf
dicteerde aan Rudolf Hess. De brieven die Hitler hiervandaan aan H. S.
Chamberlain schreef zijn verloren gegaan, en het is onbekend wat Hitler
zijn collegaschrijver te melden had over het schrijfproces. In Mein
Kampf is slechts één verwijzing naar H. S.
Chamberlain
te vinden:
- „...die offiziellen Stellen
der Regierung
gingen an den Erkenntnissen eines H. S. Chamberlain genau so
gleichgültig
vorüber, wie es heute noch geschieht. Diese Leute sind zu dumm,
selbst
etwas zu denken...“ (16)
- („...de
officiele
regeringsbeambten gingen net zo onverschillig aan de inzichten van een
H. S. Chamberlain voorbij, als nu nog steeds gebeurt. Deze lieden zijn
te stom om zelf iets te denken...“)
De titel van Hitlers boek, Mein
Kampf,
doet denken aan de titel van de derde sectie van Chamberlain's Grundlagen,
genaamd Der Kampf.
Deze sectie handelt over de fysieke en mentale strijd van de Germaanse
krachten tegen Rooms-katholiek imperialisme en Joodse theocratie, maar
deze
overeenkomst kan net zo goed toeval zijn. Aan de andere kant blijkt
Hitlers
verachting voor geleerden die voornamelijk veel schrijven en nooit in
actie
komen uit citaten als:
- „Überhaupt habe ich
schon damals [...]
vor jenen deutschvölkischen Wanderscholaren warnen müssen,
deren
positive Leistung immer gleich Null ist, deren Einbildung aber kaum
übertroffen
zu werden vermag. [...] Wer vierzig Jahre lang für eine sogenannte
Idee eintritt, ohne selbst den geringsten Erfolg herbeiführen zu
können,
ja ohne den Sieg des Gegenteils verhindert zu haben, hat den
Wahrheitsbeweis
für die eigene Unfähigkeit in vierzigjähriger
Tätigkeit
erbracht.“ (20)
- („Ik
moest per slot
van rekening toen al waarschuwen voor die duits-volkse zwerfgeleerden,
wier positive prestaties altijd gelijk aan nul zijn, maar van wie de
inbeelding
nauwelijks te overtreffen valt. [...] Wie veertig jaar lang staat voor
een idee, zonder zelfs maar het geringste resultaat te bewerkstelligen,
ja zonder de overwinning van het tegendeel verhinderd te hebben, heeft
het waarheidsbewijs van zijn eigen onbekwaamheid tijdens veertigjarige
werkzaamheid geleverd.“)
Het is zeer goed mogelijk dat
Hitler in
bovenstaand citaat helemaal niet op H. S. Chamberlain doelt, en dat
zijn
respect voor zijn mede-Wagneriaan oprecht was, maar Chamberlain's visie
op een Germaans Christendom kon hij zeker niet gebruiken: „De reden dat
de antieke wereld zo puur, licht en sereen was, is dat deze nog geen
kennis
had gemaakt met twee grote plagen: de pokken en het Christendom“, zei
Hitler
in een van zijn tafelredes, en: „Volgens mij had H. S. Chamberlain zich
vergist toen hij het Christendom als een realiteit op spiritueel niveau
opvatte.“
Hoewel H. S. Chamberlain
overtuigd was
van een Joodse bedreiging voor de Germaanse wereld, en dat het Jodendom
“een gevaar voor elke cultuur“ betekende, (9)
was hij geen voorstander van een gewelddadige oplossing voor het
„Joodse
vraagstuk“ („we mogen zelfs geen haar op hun hoofd krenken...“ (21),
en daarnaast geloofde hij niet in Joodse
wereldcomplotten:
- „...doch
glaube ich,
dass wir geneigt sind, unsere eigenen Kräfte [...] sehr zu
unterschätzen
und den jüdischen Einfluss sehr zu überschätzen. Hand in
Hand damit geht die geradezu lächerliche und empörende
Neigung,
den Juden zum allgemeinen Sündenbock für alle Laster unserer
Zeit zu machen...“ (11).
- („...toch
geloof ik
dat wij geneigd zijn onze eigen krachten zeer te onderschatten en de
Joodse
invloed zeer te overschatten. Hand in hand hiermee gaat de echt
belachelijke
en stuitende neiging, de Joden tot algemene zondenbok voor alle
problemen
van
onze tijd te maken...“)
Volgens de biograaf van H. S.
Chamberlain,
G. G. Field, hadden „Hitler,
Hess, Goebbels, Eckart, Himmler, von
Schirach,
en vooral Rosenberg (10)
Chamberlain
gelezen en verklaard door hem te zijn beïnvloed. Hans Kerrl, Reichsminister
für kirchlichen Angelegenheiten, en Hans Schemm, de Bayreuther
volksschoolleraar die Kultusminister van Beieren werd, waren
evenzeer
grote bewonderaars, terwijl Nazi-intellectuelen als Hans F. K.
Günther,
Alfred Bäumler, Walter Frank, Ernst Krieck, en de fysicus
en
nobelprijswinnaar Philipp
Lenard hem
overlaadden met kinderlijk respect.“ (24)
Andere bewonderaars waren Lord
Redesdale, Winston
Churchill, D. H. Lawrence, de Amerikaanse senator Albert J. Beveridge,
nobelprijswinnaar Albert
Schweitzer, en de Nederlandse mystiek filosoof P. H. Hugenholtz. (15)
In Mei 1926 bezocht Hitler de
zwaar zieke
schrijver voor de laatste maal. In het dagboek van Goebbels is een
passage
te vinden die de ontmoeting beschrijft:
- „Erschütterende Szene:
Chamberlain
auf einem Ruhebett. Gebrochen, lallend, die Tränen stehen ihm in
den
Augen. Er hält meine Hand und will mich nicht lassen. Wie Feuer
brennen
seine großen Augen. Vater unseres Geistes, sei
gegrüßt.
Bahnbrecher, Wegbereiter! Ich bin im Tiefsten aufgewühlt.
Abschied.
Er lallt, will sprechen, es geht nicht — und dann weint er wie ein
Kind!
Langer, langer Händedruck! Leb wohl! Du bist bei uns, wenn wir
verzweifeln
wollen. Draußen klatscht Regen! Ich hab das Bedürfnis zu
schreien,
zu weinen.“ (23)
- („Verpletterende
scene:
Chamberlain op een rustbed. Gebroken, mummelend, de tranen staan hem in
de ogen. Hij houdt mijn hand vast en wil me niet laten gaan. Zijn grote
ogen branden als vuur. Vader van onze geest, wees gegroet. Baanbreker,
wegbereider! Ik ben diep geraakt. Afscheid. Hij mummelt, wil spreken,
het
gaat niet — en dan huilt hij als een kind! Lange, lange handdruk!
Vaarwel!
Je bent bij ons, als wij nabij vertwijfeling zijn. Buiten klettert
regen!
Ik heb zin om te schreeuwen, te huilen.“)
H. S. Chamberlain stierf een paar
maanden
later aan zijn zenuwziekte, in Bayreuth, 71 jaar oud, 9 Januari 1927.
Het laatste boek dat hij geschreven had was Mensch und Gott,
een
pleidooi voor een nieuw Christendom zonder dogma's en sacramenten. Op
zijn grafsteen werden de woorden van Lukas 17:21 gebeiteld: „Das Reich
Gottes ist inwendig in euch“. Het koninkrijk Gods is in U. |